natuurcolumns

Ilse Vandenbussche houdt van de natuur, maar ze heeft er nog geen verstand van. Onder het motto ‘houd het klein en simpel’ verdiept ze zich in alles wat groeit, kruipt en vliegt in en rond haar huis.

Tuin
Zoals gezegd hou ik van de natuur, van groen op mijn netvlies. Ik geniet van het gebrom, gezoem, getjirp en gefladder in de lucht. Raak enthousiast als ik door mijn knieën zak en het leven zie dat zich op en onder de grond afspeelt. Er gaat een wereld voor je open als je goed kijkt. Je hoeft alleen maar even stil te zitten. Terwijl ik dit schrijf landt er een zwart-geel gestreepte zweefvlieg op de rand van mijn schrift. Haar pootjes strijken langs haar snuit en zij kantelt haar hoofd alsof ze haar nek los wil maken voor een sportprestatie. Zie je? Gewoon gaan zitten en kijken.
De bossen, de velden, de duinen en de zee; ik ben er meer dan graag. Maar voor mijn dagelijkse dosis natuur ben ik gewoon in de tuin. Direct aan ons huis grenst een stenen binnenplaats, waar we een rij stenen langs de muren verwijderden en stokrozen zaaiden. In de zomer vliegen er nu bijen en hommels af en aan, in het najaar laten de koolmeesjes de takken met zaaddozen dansen en pikken de merels vanaf de grond een zaadje mee.
Achter de binnenplaats is de groene tuin. We proberen er wat groenten te verbouwen en zaaien wat bloemen en kruiden maar laten vooral de natuur haar gang gaan. Sommige mensen vinden het een zooitje ongeregeld, al dat hoge gras en onkruid. De meesten hebben meteen het gevoel op vakantie te zijn als ze in het groen zitten met een kopje thee. Wij, mijn vriend Erik en ik, volgen de veranderingen die spontaan ontstaan en soms door ons gezaaid zijn. Raken verwonderd door de libellen, bijen, vliegen, kevers, vlinders, vogels, muizen, ratten, paddenstoelen, poezen, egels, padden, wormen, slakken, mieren, rupsen, luizen en wat er nog meer door de tuin trekt. We verwelkomen al wat leeft. Ik heb er alleen nog geen verstand van. Dus behalve kijken, genieten en foto’s maken ga ik vanaf nu ook lezen, tekenen en schrijven over de natuur om me heen. En als je wilt, kijk jij met me mee.
1 tuin (2) 1 tuin (1)

 

IJsengel
Er was eens een ijsengel. Het was op zo’n stralende vrieskoude herfstochtend dat ik haar zag en het toeval wilde dat ze vanuit de hemel in onze tuin was neergestreken. Op de gammele tuinstoel in plaats van het erepodium dat ze verdient. Maar zij, al 320 miljoen jaar de ongeëvenaarde kampioen van het luchtruim, maalde niet om zulke materie.
Al wat ze nodig had was een plekje om te rusten, in de zon. Even alle spieren ontspannen die haar vier vleugels afzonderlijk aansturen. Zij kan vanaf stilstand, in de lucht, er met vijftig kilometer per uur vandoor gaan. Stukje omhoog, iets naar links of toch nog snel achteruit? Geen probleem. Met vleugels van nog geen tien centimeter spanwijdte bereikt ze zelfs open zee. Wist je trouwens dat libellen de beste jagers ter wereld zijn? Met gemak streven ze de witte haaien voorbij in de top tien van effectieve roofdieren. Wat wil je, 95 procent van haar aanvallen slaagt, terwijl de witte haai de helft van de keren mis hapt. Als je zo’n topper bent, mag je best even genieten in onze tuin. En als je daar zo zit met het najaarszonnetje op je snoet, ik ken het fenomeen, dan doezel je voor je er erg in hebt weg.
Toen ze wakker werd, verdween de zon net achter de boom. Ze schrok. Probeerde haar koude vleugels te verroeren, maar hoe hard ze haar best ook deed, ze kreeg er geen beweging meer in. Verlamd keek ze toe hoe langzaam het vocht optrok uit de grond, via de grassprieten omhoog kroop, en de tuin bedekte met een nevelsluier. Tegen de tijd dat de zon en de maan van plek waren gewisseld, glinsterden er wel honderd druppeltjes op de libel. Hoe hoger de maan aan de hemel klom, hoe kouder het werd. En toen de maan geeuwde veranderde ze met haar adem alle nevel onder zich in ijskristallen, alsof het diamanten waren.
’s Ochtends kwam ik buiten en bewonderde de juwelen die onder de opkomende zon stuk voor stuk vloeibaar werden. Druppels lagen als een vergrootglas op het hoofd van onze libel en ik ving een glimp op van de 60.000 oogjes die ze rijk was. En terwijl de zon alle diamanten in de tuin liet verdampen, steeg de ijsengel met hen op, terug naar de hemel, en leefde nog lang en gelukkig.

7 ijsengel (2) 7 ijsengel

 

Spreeuwen
Ik bevind me in het laatste tipje diepblauwe nachtsluier. Ver boven de spar schijnt de maan door de nevel. Maar het wordt nu snel licht en met het geraas van de auto’s aan de voorkant van het huis, neemt ook het getjilp, gekwetter en gekrijs aan de achterkant toe. Musjes, spreeuwen, eksters. De lucht varieert inmiddels van ijsblauw bovenin, naar grijs en roze in het midden, onderaan eindigend in indigo voor wie vlug een duik terug in de nacht wil nemen. En alsof ze het zo hebben afgesproken vliegt er plots van alles door dit schilderij; vier duiven noordwaarts, tientallen kauwen richting het oosten, achtervolgd door een handvol spreeuwen.
Maar toch niet de onzen, want het geklessebest in de tuin gaat onverminderd voort. Ik weet niet meer wanneer ze kwamen, die spreeuwtjes. Sowieso snoepen ze ieder voorjaar alle kersen van de buurman op. Pas de laatste tijd hoor ik ze steeds kwetteren in de tuin voor de zon ondergaat, alsof ze alles wat ze die dag beleefd hebben in een kwartier vertelkunst willen proppen. Heel herkenbaar. Als het donker wordt zijn ze stil, maar zodra de zon komt, tetteren ze je weer de oren van je kop.
Ik heb boeken over vogels aangeschaft, ze liggen te pronken in mijn schrijfkamer met hun prachtige omslagen uit de jaren dertig en zestig van de vorige eeuw. Daarin lees ik dat spreeuwen ook wel eens in heldere maanlichte nachten aan het zingen slaan (Vogelzang van Jac. P. Thijsse). En ook dat ‘de spreeuw een zangspier-stelsel heeft dat hem tot de allergrootste onder de zangers zou kunnen maken. Hij misbruikt echter zijn talenten door allerlei malligheden uit te halen.’
Dat is waar ook, iemand vertelde ooit dat een spreeuw een voetbalwedstrijd stillegde met zijn imitatie van een scheidsrechtersfluitje. Dan heb je toch humor. En alsof dat nog niet genoeg is, schrijft J. de Jonge in zijn Vogelalbum (uit 1924 met losse prentjes) dat spreeuwen van alle vogels het meeste sentiment in hun stem kunnen leggen. Deze vogel heeft alles wat een rasartiest nodig heeft; hij is superproductief, heeft een oneindig repertoire en weet moeiteloos een lach en een traan op je gezicht te toveren. Ik ben fan.

8 spreeuwen (1)

 

Stront aan de knikker
Dit weekend dwaal ik door de tuin van het wild, over de Veluwe. Ik zie een grote zwarte hond uit het bos dwars over het pad stuiven. En nog een en nog een en… Het blijkt een troep zwijnen die op hun trappelende hoeven in het herfstblad na, net zo stil zijn als wij.

Maar wiens aanwezigheid me meer verrast, zo eind november, is die van meneer mestkever. Ook hij kruist ons pad dwars, maar dan traag. Aarzelend in zijn beweging, doeltreffend in de richting die hij wil. Soms valt hij van een blad af, landt op zijn rug, en al duurt het even, hij komt altijd op zijn pootjes terecht. Nou ja, als je goed kijkt lijken het zagende wapens met een spies als duim. Maar wees gerust, de mestkever is vooral een vegetariër. Hij eet mest bestaand uit plantenresten, eventueel aangevuld met rottende paddenstoelen voor het ultieme umami diner. Zijn eetpatroon helpt ons van stikstof af, brengt plantenwortels wat mest en hij verluchtigt daardoor de grond zodat teveel of te weinig water geen probleem is. De twee uitgestoken handjes op de voelsprieten bij zijn hoofd, werken als een geursatelliet en wijzen hem van grote afstand de weg naar een verse hoop. En zo stapt hij dit najaar moedig voort, diep weggedoken in zijn zwarte schild met metaalblauw in de diepste kieren.

Gelukkig zijn deze hopen in natuurgebieden zonder gif. Want wereldwijd gaat het niet zo goed met de mestkever, onder andere doordat het vee een medicijn krijgt tegen parasieten. Dat ook mestkevers doodt. Is dat erg? Ja, heel erg. Kijk maar naar de Engelsen die in de achttiende eeuw met henzelf ook koeien meebrachten naar Australië, maar de mestkevers vergaten. En wat doen koeien? Poepen. En veel. Tweehonderd jaar later hadden ze vliegenplagen tot en met. Want die snoepen wel van de mest en leggen er hun eitjes in, maar opruimen, ho maar. En elk jaar werd in het ergste geval zo’n tweeduizend vierkante kilometer grasland onbruikbaar door alle mest die als een lemen muur de grond bedekte.* En wie werd er ingevlogen om de boel op te lossen? Inderdaad, de mestkever. Dus laat deze stikstofoplosser niet stikken, want dan heb je pas echt stront aan de knikker.

Terra insecta, Anne Sverdrup – Thygeson, 2019 DE BEZIGE BIJ AMSTERDAM

10 stont aan de knikker

 

Slak
Het is een kleddernatte dag en net voor ik de poort van de tuin dicht doe, zie ik een kleine slak onder de deurklink. Ik duik in de boeken om erachter te komen welke dit is.
Dromerige wezens zijn het, ze lijken nauwelijks te bewegen en toch kom je ze op de gekste plaatsen tegen. In de zomer plakken ze aan de binnenkant van de schuurdeur. Daar voorkomen ze uitdroging op warme dagen, weet ik nu. De slakken die ik in de herfst in de schuur vind, lijken dood maar zijn aan het overwinteren.  Weet je trouwens hoe het komt dat we slakken eten? (Escargots, anders hoeft niemand ze). Door de katholieke kerk. Tijdens het vasten mocht je geen vlees eten, maar slakken vielen daar niet onder. Ik at ze ooit in een restaurant en vond ze niet vies, maar ook niet bijzonder lekker. Omdat wij niet graag slak met darminhoud eten, laten ze de dieren voor ze sterven een paar dagen ontnuchteren. Lees: met zijn allen in een zeef aan de diarree na een laxerend hapje. Deze lange lijdensweg voor de slak is voor mij voldoende reden om ze niet meer te eten.
Veel tuinders vinden slakken schadelijk. In onze moestuin mogen alle slakken mee-eten, ze laten genoeg staan. Helaas hoor ik wel eens ‘krak’ onder mijn voeten, vreselijk vind ik dat en ik durf nooit te kijken. Helemaal niet nu ik weet dat in het huisje zijn longen, hart en andere organen opgeborgen zitten. Tijdens mijn slakkenstudie word me niet duidelijk welke slak er op de deurklink zit. Ik twijfel tussen de heesterslak en de Zwitserse glansslak. Internet zegt dat laatstgenoemde een zeer kritische soort is die maar op een paar plekken bekend is. Hoopvol plaats ik deze foto op Facebook met de vraag welke van de twee het is.
“Volgens mij is het de gladde deurklinkslak” en “Lijkt mij meer de nogal natte slak”, grappen vriendinnen. Mijn broer vraagt me, wetend van mijn culinaire nieuwsgierigheid, de slak wel heel te laten. Michiel reageert: “Het is een mooi beestje en lijkt als een kameleon die andere druppel te willen nadoen.”
Ik had het niet mooier kunnen zeggen. Beide heren tippen websites ter identificatie. Vooralsnog kom ik niet verder dan een slak onder de deurklink op een kleddernatte dag. Een ding weet ik wel: ik eet hem niet op.

11 Slak bijgesneden

 

Verstopt
Rara wie is dit: hij heeft het koppie van een konijn en een soort vossenstaart. Oja, en ik verdenk hem ervan dat ie in onze tuin dingen verstopt. Niet dat ik iets kwijt ben, nee ik vind juist zijn buit. Ja! Goed geraden, de eekhoorn.
Net voor de winter spitten we een stuk gras om en bedekken het met halfverteerde compost – waar al wormen, pissebedden en andere aardewerkers in zitten – en daarop een dekentje van bladeren en stro. Volgend jaar hopen we er wat groenten op te verbouwen. Tijdens het spitten en bladeren verzamelen vind ik walnoten die als paaseieren verstopt zijn. Terwijl er in de directe omgeving geen walnootboom te bekennen is. Ik denk er niet over na, tot ik een paar ochtendenwandelingen achter elkaar een eekhoorn in de straat zie en mijn conclusie trek. Eerst denk ik dat er een rat aan de overkant loopt, tot ik zijn deftige staart zie. Maf hoe een dier daardoor, voor veel mensen dan, plotsklaps van vies in lief verandert. Maar die hebben denk ik nog nooit goed gekeken hoe een ratje een kastanje eet dat ie tussen zijn voorpoten klemt.
Eekhoorns zijn trouwens fantastische acrobaten, je ziet ze elkaar wel eens achterna rennen via de boomstam omhoog, over takken en dan vliegend door de lucht naar de volgende boom. Zwevend moet ik zeggen. Eekhoorns zitten nogal ruim in hun jasje en dat flapperende vel vertraagd de val als een parachute terwijl ze met hun staart kunnen bijsturen.
Ik vraag me wel af of zo’n walnoot niet wat groot is voor de eekhoorn om mee te slepen, maar ik lees dat ze ook dennenappels verstoppen die ik inderdaad vind tijdens het spitten. Wat niet bewaard kan worden, eten ze meteen en slaan ze op in hun lichaam als vetreserve voor als het ooit winter wordt. Want als het echt koud is, komen ze hun knusse nestje niet uit en gelijk hebben ze. Van buiten zie je een twijgen- bladerbol in de boom hangen, maar binnenin is het lekker zacht behangen met bast, gras en mos. Het is zo goed geïsoleerd dat het er wel twintig graden warmer is dan buiten. Daar draaien ze zich nog eens lekker in hun pluimstaart en dromen over verstopte walnoten. Of van andere pluimstaarten, wie zal het zeggen.

Jonathan Meyer

foto: Jonathan Meyer

 

Elfjes en trollen
Kraaien vliegen op als ik deze grijze zondagochtend de tuin in kuier. Onder de heg ligt snoeiafval en in de ontstane takkenwal zijn openingetjes zichtbaar. Veel fantasie heb je niet nodig om te bedenken wie die gebruiken. Ik zou de boel voorzichtig kunnen optillen en kijken. Maar dat doe ik niet, hoe zou jij het vinden als een reus je dekbed optilt?
Dan valt mijn oog op een paddenstoel. Wanneer ik die op de foto zet, zie ik er nog een tussen de takken. Eenmaal gegrepen door het paddenstoelenvirus blijkt er een Barbapapawereld schuil te gaan in de tuin door namen als Nectria cinnabarina, en de vormen die ze aannemen. Van een elegante witte, die niet misstaat in een sprookje met elfjes, tot een buikzwam (textuur van een hondendrol, vorm van een walnoot, bovenaan ontploft) die past in een trollenverhaal.
De Pippi Langkoussproeten die op takken zitten, zijn Meniezwammetjes. De elfjespaddenstoel is een Mycena galericulata of een Mycena galopoda. Nu schijnen er in Nederland wel honderd soorten Mycena’s te zijn, die je alleen onder een microscoop van elkaar kunt onderscheiden, dus houd ik het op een Mycena. Het vlees schijnt komkommerachtig te smaken, wat ik wel bij elfjes vind passen. Ik denk dat de buikzwam naar natte hond smaakt, maar dat probeer ik liever niet uit. De Berkenzwam op de berkentak werd vroeger door chirurgen verbrand, vanwege de bedwelmende werking van de rook. Lang geleden werd de zwam ook gebruikt om vuurtjes te maken, landarbeiders bewaarden smeulende berkenzwam in een blikje en namen dat mee naar hun werk om aldaar een behaaglijk vuurtje te doen oplaaien. En weet je hoe een zwammenkompas te maken? ‘Men neme een mooi rond grashalmpje, iets langer dan uw linker duimnagel. Bevochtig de nagel goed met spuug en leg er het halmpje op. Het zal de richting aanwijzen die u moet lopen om paddenstoelen te vinden. Maak dan geen lawaai, anders worden de zwamgeesten woest en verstoppen ze de paddenstoelen. ’ *
Mocht je ooit in de natuur voor eten en warmte moeten zorgen, dan weet je nu hoe het moet. Nodig gezellig de elfjes uit maar sla de trollen over, ik geloof nooit dat die stil kunnen zijn.

100 paddenstoelen, J. Daams, AMSTERDAM BOEK 1975

13 elfjes en trollen (2) 13 elfjes en trollen (3) 13 elfjes en trollen (1)

 

 

 

 

 

Rode klaver
Er groeit half januari van alles in de tuin. Zeg het maar, wat eten we: raapsteeltjesstamppot of pasta met rucolapesto? Achterin de tuin bloeien rucola, een driekleurig viooltje en paarse dovenetel. In de luwte van de rozemarijnstruik komt peterselie op. Nu weet ik dat peterselie er lang over doet om te ontkiemen, maar langer dan een mensenzwangerschap verwacht ik niet.
Ook de bedden met rode klaver staan er al tijden sappig groen bij. De blaadjes smaken fris-zoetig, denk aan bloemen en komkommer. Tussen het groen steken drie rode bloemen de kop op. Ik hou van deze plantjes, ze zijn als dansers. Ze ogen fragiel maar zijn beweeglijk en sterk. Ook slim, want nog voordat het gaat onweren sluiten ze de blaadjes en laten de bloemen hun kopjes hangen. Van ongekende schoonheid zijn de dauwdruppels die het blad de hele dag sieren. Als je heel vroeg bent, zie je de blaadjes nog in slaaphouding. Want zodra de avond valt, rechten twee blaadjes zich op hun kant en het derde legt zich er als een dakje overheen. Ik trof er eens een spinnetje in aan, die er een webje had geweven dat zo sterk was dat de rechtstandige blaadjes zich niet konden openen bij het ochtendgloren.
Als koninklijk pluche zijn de bordeauxrode bloemen en zachter dan het zachtste fluweel. Ze verspreiden een heerlijke geur en trekken in de zomer veel insecten aan. Maar dan toont rode klaver zich van de moeilijke prinsesjeskant, want hoe verleidelijk ze ook ruikt, haar honing is alleen bereikbaar voor insecten met een hele lange tong. Slechts een paar vlinders en wat grote hommels zijn de gelukkigen.
Ook voor mensen is het een eetbaar plantje. Het jonge blad kan in de sla, de gedroogde bloemen in de thee. Dat helpt tegen de hoest en het verlicht overgangsklachten. Nu heb ik regelmatig opvliegers, dus vorige zomer zette ik thee van bloemen en verse blaadjes. Daarna voelde ik me wat duizelig. Nu lees ik dat rode klaver ook couramine bevat, een bloedverdunner. Dat verklaart het duizelen. Of… Misschien ben ik zonder het te weten een heks. Met rode klaver bezweer je namelijk de toverkracht van heksen. En ik kan je vertellen dat ik die middag tot weinig meer in staat was. Behalve met een bezweet hoofd roepen: ‘Ik ga weer vliegen!’, terwijl ik futloos op de bank bleef liggen.

14 Rode klaver 14 Rode klaver (2)

 

Turkse tortel
Ze zijn gezellig met zijn tweetjes en nu, in de winter, ontbijten we samen. Zij havervlokken op de binnenplaats, ik pap in de keuken. Ik vind het een mooi duifje, eleganter dan zijn mollige neef, de houtduif die onhandig vliegt. Nee, dan de Turkse tortel, die kan stil hangen in de lucht maar behaalt ook rustig zestig kilometer per uur. Regelmatig slaan vogels op de vlucht omdat zijn silhouet lijkt op dat van een sperwer. Helaas voor de Turkse tortel trapt de sperwer daar niet in, die lust hem graag.
Je hebt het vast wel eens gezien, zo’n duifje dat eerst luid klapt met de vleugels en vervolgens steil de lucht in gaat en na een zweefvlucht op een dak landt. Ziet er stoer uit toch? Is de bedoeling ook, indruk maken op de meisjes. Daarna begint het feest van kusjes. Ik kijk er graag naar als ze dicht naast elkaar op het dak zitten. Als ze konden praten zou het zo gaan: “Kom es, hier een kusje op je hoofd”. “O, wat fijn, jij krijgt er een in je nek”. “Hmm lekker, jij krijgt er ook zo een”. “Wacht, ik was nog niet klaar”. En dat gaat maar door. Wat ook maar doorgaat is hun leg. Van februari tot in november en wie weet, dit jaar al in januari. Misschien zijn ze daarom slordig met hun nestbouw. Ze flansen wat takjes en twijgjes losjes op een hoop en ze gaan niet ín maar óp de nestkast zitten. En kijk uit als je je zonnescherm omlaag doet, want ook die volstaat als broedplek. Dat er af en toe een ei of jong uitvalt of afwaait, nemen ze op de koop toe. De jongen die in februari uitkomen, kunnen in november zelf al broeden. Daarbij kunnen ze ook ver vliegen. En zo komt het dat de Turkse tortel, die eigenlijk uit India of China komt, zich razendsnel over bijna alle continenten verspreidde. Rond 1950 broedde de eersten in Nederland en de jaren daarna volgden Denemarken, Zweden, Frankrijk, Groot Brittannië en in 1971 zelfs IJsland. Als ze maar in de buurt van mensen kunnen wonen. Er is echter één stad in Nederland waar de Turkse tortel niet voorkomt.* En dat is Almere . Tja.

* www.nederlandsesoorten.nl

Jean van der Meulen

foto: Jean van der Meulen

 

Tuinvogeltelling
Met een verdoofde lip en hechtingen in mijn tandvlees lig ik op de bank naar buiten te koekeloeren. Koolmeesjes vliegen af en aan op de muur met de pindakrans en –slinger. Terwijl er eentje onverstoorbaar aan de slinger hangt, landt er een kauw op de krans. Hij heeft goed gespiekt bij zijn mezenburen want het lukt hem ook om in de krans te kruipen, zijn vleugels steken er nog buiten. Zijn matties kijken toe vanaf de dakrand, koppies schuin naar de gelukzak die als eerste mag, dan weer om zich heen spiedend naar gevaar. En jawel, daar komt de ekster al aangevlogen, de ‘baas’ van de tuin. Hoewel de ekster alleen komt en de kauwen best groot en met meer zijn, maken ze zich toch snel uit de voeten.
Terwijl ik dat alles bekijk, denk ik aan de tuinvogeltelling; dat belooft veel goeds. Het roodborstje komt vast ook nog, altijd in zijn uppie. De tortelduifjes, de musjes en wellicht ook de houtduiven. Misschien zelfs de zanglijster, al zag ik die maar een keer. Normaal strooi ik net voor zonsopkomst zonnebloempitjes en havervlokken. Voor de merels klokhuizen, al eten ze die het liefst als het er een paar dagen ligt. Na de nacht hebben de vogels honger, maar ook voor de zon onder gaat eten ze hun buikje graag nog even vol. Dus ik strooi kwistig en zit klaar met de geopende tuinvogeltelling-app. En ik wacht. En wacht. Ik vermoed dat ze vernomen hebben dat ik meedoe aan een vogelonderzoek.
‘Een wat?’, vraagt de koolmees aan de kauw.
‘Een onderzoehoek’, bauwt de kauw.
‘Je weet wel’, krast de ekster zich in het gesprek. ‘Ze vangen je en friemelen dan een zender aan of in je lijf. Zorg dat je uit de buurt blijft!’ krijst hij luidkeels zodat alle vogels in alle tuinen in alle straten het horen.
Net als wanneer de ekster de kattenkreet slaakt, dan weten ook alle vogels direct: voetjes van de vloer. Hij lijkt soms een klootzak, maar zoals alle goede bazen heeft hij meestal toch het beste met de club voor en kun je maar beter naar hem luisteren. Er komt dus helemaal niemand. Pas de volgende ochtend, dan zijn ze er allemaal weer, met nog een nieuwe vrouwtjesvink op de koop toe.

16 tuinvogeltelling (1) 16 tuinvogeltelling (2)

 

Strontvlieg
Als ik zeg strontvlieg, wat zie jij dan? Een metaalblauwgroene vlieg? Dat is wat ik voor me zag. Fout dus. Nee, de strontvlieg is een jongen met gouden lokken, type surfgod, maar zonder dat gladde lijf. Denk nu aan je zachtste teddybeer ooit. Zo mooi en lief ziet de strontvlieg eruit. De jongens dan, de meisjes zijn grijzig.
De Latijnse naam is Scathophaga (poep-etend) stercoraria, maar wat die Romeinen nog niet wisten, is dat de strontvlieg helemaal geen poep eet. Die eet nectar van bloemen en vult dat aan met vliegenvlees. Wist je trouwens dat onze appels en aardbeien niet zo lekker zouden zijn zonder vliegen? Het blijkt dat de oogst beter is als er, naast bijen, andere insecten betrokken zijn bij de bevruchting. Hoe dat kan is onduidelijk, maar kennelijk hebben vliegen toch iets wat bijen niet hebben. Goed, de strontvlieg eet dus geen poep, maar is er wel dol op. Kijk nou een even naar de foto, hoe prachtig zijn goudgele vachtje afsteekt tegen het glimmende grijsgroen van de schapenvlaai. Als jij een vrouwtjesvlieg was zou je ook meteen smoorverliefd zijn. Gaan mensen naar de kroeg voor nieuwe liefdes, strontvliegen gaan naar de drek om te speeddaten. Is er een match, dan zoeken ze een rustig plekje voor een vluggertje. Het vrouwtje legt daarna zo’n honderdvijftig vuilrode langwerpige eitjes
(nou ja, lang; een millimeter) in de poep. Aangezien vlaaien nogal nat zijn en het niet de bedoeling is dat het jonge grut direct verzuipt in de drek, hebben de eitjes vleugeltjes. Zoals je vroeger bleef drijven in het zwembad met die knaloranje vleugeltjes om je bovenarmen, die knepen in je velletje als ze ruw werden omgeschoven. Nu denk je misschien, aha die larven eten dus poep. Maar nee, die larven eten weer andere larven die leven in de poep. Wanneer ze zo’n tien millimeter groot zijn, duiken ze onder of naast de hoop in de grond om in drie dagen te verpoppen. Dan komen ze tevoorschijn en leven twee tot drie maanden als strontvlieg, mits ze niet zelf gegeten worden door vogels of spinnen, of doodvriezen. Normaal zijn ze er van april tot oktober, eind januari is misschien wat vroeg.
PS
Nee, we hebben geen schapen, maar sopten in de buurt door de polder over een schapenpad.

17 Strontvlieg (1) 17 Strontvlieg (2)

 

Met knuffels in bed
Wat is er beter dan met een boek in bed als de wind het dak laat klapperen en regen tegen de ramen klettert. Hagelbuien zorgen voor een kortstondige witte winter. Op een droog moment zaai ik spinazie in de tuin. Binnen vul ik een lage schaal met grond en strooi er in pizzapunten zaadjes van prei, rode sla, rucolakers, koriander, rode tuinmelde, spinazie en snijbiet in. Daarmee zit mijn tuintaak er alweer op. Ik ga terug naar boven met hete thee en chocola om verder te lezen, terwijl de wind spanten en plafondplaten laat kraken en kreunen. Het boek dat ik lees, is geschreven door Rob Dunn en heet Nooit alleen thuis: Het verrassende veelzijdige dierenleven achter onze voordeur. Op het omslag prijken vlinders, kevers en andere insecten. Op mijn lijf geschreven, toch? Maar het begint met nog kleiner leven, dat je niet ziet met het blote oog. Bacteriën enzo. We delen ons huis met wel 200.000 vormen van leven. Voor je nu de poetskriebels krijgt, hou je in. Ze zorgen namelijk dat ons immuunsysteem op orde blijft en houden schadelijke soorten binnen de perken. Dus, gewoon zoals je geleerd hebt, na het poepen je handen wassen en dan is er niets aan de hand. Poets niet te veel en al helemaal niet met agressieve superreinigers, want daarmee dood je juist de goeie. En zonder goedzakken geen gezond leven. Sterker nog, je hebt gratis en voor niks schoonmakers in huis. Jij (ja, ik ook) verliest vijftig miljoen huidschilfers per dag. Hadden we microscopische ogen, dan zagen we de mens in nevelen van zichzelf gehuld. Waar blijven die huidschilfers? Nou, die zweven door de lucht terwijl jouw schoonmaakploeg ze oppeuzelt. Duizenden bacteriën zitten er op een enkele huidschilfer. En terwijl die de boel schoon eten, kun jij lekker gaan liggen niksen in je bed. Tussen de knuffelbeesten. Wat? Denk je dat je daarvoor te oud bent? Nee joh, moeder natuur zorgt ervoor dat je niet meer bang hoeft te zijn als je in je uppie in bed ligt. Ze geeft je een paar vachtmijtjes om je warm te houden, een roedel huisstofmijten om je je thuis te laten voelen, een kudde huidkevers om je te aaien en een bende diefkevers om je hart te stelen.

19 met knuffels in bed

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Takkenkattenzooi
Het tuinseizoen is begonnen; de dagen lengen, de vogels zingen en de katten …?
Die poepen. In mijn tuin. Dat doen ze ’s winters vast ook, maar ik verdenk die loeders ervan dan vooral bij de baas op schoot te zitten spinnen.
Op deze winderige, zonnige middag heb ik van dit alles nog geen weet en hoopvol loop ik naar mijn pas ingezaaide spinaziebedje. Daar blijkt de boel omgewoeld. In een kuiltje ligt een kleverige, beige kattendrol. Getverdegetver. Daar mag ik straks van eten. Nee, poezenpoep is, net als hondenpoep, geen gezonde bemesting voor de moestuin. Dus, lieve kattenhouders, leer ze alsjeblieft om alleen in eigen tuin hun behoefte te doen. En als je dan toch bezig bent verantwoordelijkheid te nemen voor het gedrag van de door jouw aangeschafte snoeziepoezie, koop dan ook meteen even een kattenbelletje. Het broedseizoen staat voor de deur en nee, het is geen natuur als een kat vogeltjes vangt, want die kat van jou is gefokt en wordt door jou volgepropt. Dus het enige wat ie nog doet met zijn jachtinstinct is uit verveling zijn prooi martelen, vaak tot de dood erop volgt. Maar opeten, ho maar. Dat zie je dieren in de natuur niet doen hoor; zoveel energie verspillen zonder dat het voedsel oplevert.
Geloof me, ik ben geen kattenhater. Sterker nog, overal waar ik kom maak ik poezenvrienden. En ik snap die beestjes ook wel, zo’n mooi egaal stukje aarde helemaal schoon en aangeharkt. Dat is aantrekkelijker dan de kattenbak thuis die jij vast niet zo snel leegschept als jouw kat wel zou willen. Terwijl ik dus jouw taak vervul in mijn tuin, vraag ik me af wat ik er tegen kan doen. Het handboek voor ecologisch tuinieren zegt: ‘Voor die problemen kennen we niet meteen een oplossing.’
Daar heb ik dus helemaal niets aan. Ik verzin zelf wel wat. Gelukkig staan er in onze tuin veel uitgebloeide takken, sommige met prikkels, die zich makkelijk uit de grond laten trekken. Ik steek ze kriskras en diagonaal in mijn nieuw ingezaaide stukkie. Zodat de peterselie, rucola, raapsteeltjes en bieslook veilig op kunnen komen. Takkenkattenzooi. Ik hoop dat het helpt. Dus als jouw kat binnenkort met een distelsplinter in zijn gat thuiskomt, dan weet je waar ie is geweest. Wie zijn billen prikt, moet op de doornen zitten.

20 Takkenkattenzooi (2)

20 Takkenkattenzooi

 

Truus 
Bij een nieuw huis horen een nieuwe tuin en natuurlijk nieuwe buren. Op haar gemak komt ze de tuin in wandelen, haar rossige haar licht op in de voorjaarszon.Soms heb je dat, je wisselt een eerste blik en weet meteen: dit zit wel goed. Ik begroet mijn nieuwe buurvrouw met een vrolijk ‘heej’ en zij mij met een vriendelijk ‘miauw’, zoals het hoort. Zij op haar achterpoten, ik op mijn knieën, zij knorrend, ik kirrend en de vriendschap is een feit. Net zo nieuwsgierig als wij inspecteert ze na de kennismaking ons huis van top tot teen en ze reageert al net zo goedkeurend.In de theepauze lig ik op mijn rug in het gras. Een oranjebruine vlinder (vergeef me de naam, de poster met vlinders ligt in een doos) fladdert door onze tuin alsof de net ingeharkte bloemzaadjes al bloeien. Een hommel bromt langs en een bij vliegt met gele bollen nectar onder haar oksels. Ik stel me voor hoe moeilijk wij vooruit zouden komen als we twee kazen van twaalf kilo onder onze armen zouden klemmen. De bij denkt er volgens mij hetzelfde over want ze komt even uitrusten op mijn trui. Dan loopt Truus weer de tuin in, alvast spinnend om de aaitjes die ze komt halen. Ik zie alleen maar de lusten en niet de lasten van deze leuke, lieve en o zo schattige snoezepoes. Maar mijn roze wolk vergrijst al snel. Plots klinkt er in de heg een mussengevecht of ze spelen een spelletje, dat weet ik niet. Ze tsjilpen in ieder geval hard en door elkaar heen, het lijkt me tussen het gebladerte een complete chaos. Ook Truus hoort het en de transformatie van knuffeldier naar roofmonster voltrekt zich in een nanoseconde. Ze draait zich vliegensvlug om van haar rug en laag op haar poten sluipt ze over het gras. In haar ogen een koude blik die zegt ‘niets of niemand houdt mij tegen’ en ze sprint naar de heg. Het is op slag doodstil.

21 Truus (2)

 

 

 

 

 

Zo zijn onze manieren
Na de eerste keer slapen in het nieuwe huis luister ik ’s ochtends in bed, met nog gesloten ogen, naar de geluiden buiten: krijsende meeuwen, krassende raven, kakelende kippen en tsjilpende musjes. Later drinken we koffie in de tuin en zweven er elf kraanvogels over. Het is alsof ze de wereld onder zich toedekken met hun stilte, ademloos kijken we deze majestueuze dieren na. Ons oude huis ligt slechts negen kilometer van hier verwijderd maar de dieren en de geluiden zijn anders. En ook de gebruiken, zo blijkt al gauw.
Bij ons vorige huis strooide ik ‘s ochtends eten voor de vogels op de binnenplaats en ontbeten we samen. De mezen in hun voederhuisje, op de tegels de merel met het kuifje, die gulzig van de rozijnen at tot zijn vrouwtje het welletjes vond en hem verjoeg. De tortelduiven op de grond havermout pikkend en de kauwen die zich om de beurt in de pindakrans wurmden. En natuurlijk het roodborstje dat zo luid zong bij zonsopgang voordat ie kwam schooien. Ik mis de vertrouwde vogels.
Ik weet heus wel dat we elkaar nog moeten leren kennen hier en dat het tijd nodig heeft. Maar ondanks dat ik zonnebloempitten in het huisje leg, blijft het akelig stil bij mijn ontbijt. En ook tijdens de koffie. Met slaperig hoofd zet ik mijn bril op en zie dan dat het voederhuisje al leeg is. Maar wanneer dan? En door wie? De volgende dag is het hetzelfde liedje. De dag daarop pak ik het anders aan. Ik maak eerst mijn ontbijt en zet het klaar bij de leesstoel voor het raam. Dan strooi ik zonnebloempitten in het voederhuisje, havervlokken en rozijnen op de grond, spurt naar binnen en installeer me voor het raam. Een tortelduif landt op de schutting, vliegt naar beneden. Ze landt op het voederhuisje van de mezen in plaats van op de grond. Behendig vliegt ze vanaf het dak in het huisje en schrokt zo de zaadjes naar binnen. Haar partner laat haar even begaan, besluit dan dat hij ook zijn rechten heeft, kruipt ernaast en ze smikkelen alles op. Een musje dat op zijn beurt wacht, blijft berooid achter. De mezen zijn nergens te bekennen. Het is even wennen.
PS
Het is ze vergeven, de tortelduiven hebben een nest in de conifeer van de buurvrouw. Ze vliegen af en aan met takken. We zitten in de tuin en Truus klimt zo via de schutting de conifeer in. Erik grijpt haar bij haar nekvel en beledigd laat ze zich op de grond zetten. De duiven kunnen dus wel wat extra energie gebruiken. En een andere nestplek, dat ook, denk ik.

22 Zo zijn onze manieren (2)

 

 

 

 

 

 

De bloemetjes en de bijtjes
Er zijn generaties die het met deze zin moesten doen wat seksuele voorlichting betreft. Nu kunnen we veel van de natuur leren maar ik hoop, voor alle vrouwen, dat het niet gaat zoals bij deze bijtjes.
Gehurkt snoei ik de bloemen in onze tuin. Phacelia en mosterd overwoekeren korenbloem, goudsbloem, bernagie en slaapmutsje. Bijen, hommels, vliegen, libellen en vlinders vliegen als kinderen in de snoepwinkel in dit paarsgele nectarparadijs.
Plots hoor ik achter me luid gezoem, twee bijen vechten op de grond. Gaan ze elkaar nu afmaken omdat ze allebei precies die ene bloem willen? Ze zijn van dezelfde soort, maar niet van hetzelfde geslacht, zo blijkt. Na een langdurende worsteling draait het mannetje het vrouwtje onder zich om en neemt haar op zijn hondjes, eh bijtjes. Ze probeert hem van zich af te werpen: steigert met haar voorpoten in de lucht, loopt rondjes maaiend met haar armen naar achter, gaat uiteindelijk rennen. Het helpt allemaal niets, hij heeft zich erin –wie weet letterlijk- vastgebeten. Ik loop naar binnen en pak mijn telefoon om foto’s te maken. Ik voel me een ramptoerist, maar hé, dit is de natuur. En er zijn te weinig bijen, toch? Daarna knip ik verder in de bloemen en een kwartier later zie ik er nog maar een op de grond. Spartelend op haar rug, niet in staat overeind te komen. Ik steek haar een phaceliasteel toe, ze grijpt vast en klautert erop. Ik zet haar in de border zodat ze bij kan komen. Ik bedenk me dat bijen ook water nodig hebben, loop naar binnen en vul een schaaltje. Terug buiten ligt ze weer op haar rug. Ik steek haar een strootje toe en weer klautert ze overeind. Ik leg phacelia- en mosterdbloemen naast haar neer, wat suiker kan ze wel gebruiken. Ze kruipt onder de mosterdbloem en begint een minuten durende schoonmaak. Alsof ze zo snel mogelijk zijn geur van zich af wilt wassen. Ik hoop dat ze snel weer naar mosterdbloemen ruikt.
Maar wacht eens even, is dit wel een bij? Ja, want ze is zwart met gele strepen.
Maar las ik niet ooit in Geroezemoes in het gras van Dave Goulson (aanrader!) dat je een vlieg van een bij onderscheidt door de grote facetogen. En kijk eens goed? Bingo! Dit blijkt dus de blinde bij te zijn. Overigens niet blind en ook geen bij, maar een vermomde zweefvlieg die bladluizen eet. Altijd handig.

23 de bloemetjes en de bijtjes (6)23 de bloemetjes en de bijtjes (7)

 

We maken er een soepje van
Wat te doen in geval van uitputting en een tekort aan mineralen? Hoe krijg je er in tijden van schaarste weer een beetje leven in? Inderdaad, met soep. Men neme wat prei, uien en knoflookschillen. Welja, doe ook maar wat snijbiet, restjes groene asperge en een handje rucola. Garneer de boel met wat losjes uit de hand geworpen stro en schenk er het drink- en badderwater van de vogeltjes over (waar buuf Truus overigens ook gulzig van drinkt, maar dat terzijde). Dek de sleuf, die je eerder over de gehele breedte in de bodem gegraven hebt, af met wat grond maar maak nog niet volledig dicht. Strooi er nog wat zaagsel overheen als topping en schep pas dan de geul dicht. Tja, het is geen mensensoepje maar een bouillon om de bodem een opkikker te geven. Als na jaren de stoeptegels eruit gaan en het zand met schelpen braak ligt, dan kan de bodem wel wat organisch materiaal gebruiken. Net zoals bij mensen komt echte schoonheid ook in de tuin van binnenuit. Uit de grond dus. En natuurlijk kun je kunstmest gebruiken, maar ik geloof niet dat de grond en de planten daar beter van worden. Ik geloof niet in groter en sneller. De natuur weet zelf het best hoe het groeien moet, dus geef het maar de tijd en de ruimte. Dan komen er misschien kleinere maar wel sterke en gezonde planten.
Ik heb geen idee of dit soepje gaat werken. Net zoals ik voor onszelf kook, improviseer ik met wat er voor handen is. Meestal pakt dat goed uit. Het kan geen kwaad de natuur een handje te helpen dus ik bestel biologische zaadjes witte klaver. Een wonderplant want het is een groenbemester, bodembedekker, bijenbloem en voetentapijt (waarop het lekkerder lopen is dan op gras) ineen. Wat wil een mens nog meer? Wat lekkers te eten en iets moois om naar te kijken. Dus ik stop alvast wat aardappels met uitlopers in de grond, zaai klaprozen, korenbloemen, winterwortelen en kruiden. Na een paar dagen piepen groene sprietjes omhoog. Na een dikke week zien de aardappelplanten het licht. Het gaat vast even duren maar dan heb je ook wat. Bloemen en soep, hoop ik.

24 we maken er een soepje van24 we maken er een soepje van 2 (2)

 

Ik zal ze es een poepje laten ruiken
Ik vind haar al wat afwezig kijken als ze ’s avonds in onze tuin komt zitten. Naïef als ik ben vraag ik nog: ‘Gaat het wel meisje?’ Achteraf herken ik die blik. Precies zo keek ik vroeger mijn moeder aan als die wilde weten of ik mijn huiswerk wel echt af had, terwijl ik net op het punt stond om stiekem te gaan roken op straat. Truus poeiert me hooghartig af, ik duik weer in mijn boek en Truus duikt in het gras. Er klinkt luid gepiep.
Ik spring op, daarna doen Truus en de muis hetzelfde. Dan sprint ik naar Truus die alweer achter de muis aanrent. Laatstgenoemde schiet over het pad en probeert tussen de bloemstengels te verdwijnen maar Truus weet als een volleerd voetballer het arme beestje nog een aantal keer heen en weer te pingelen terwijl ze mijn graaiende armen met schijnbewegingen ontwijkt. Een paar vertrapte lupines en phacelia’s later, kom ik toch te dichtbij en glipt Truus tussen mijn handen door en verdwijnt in de struiken. ‘Ga jij maar lekker in je eigen tuin spelen’, roep ik haar nijdig na.
Een straal uit de waterspuit raakt haar vol op de snoet als ze vanachter de heg weer verlekkerd naar onze tuin loert. Net goed.
De muis zie en hoor ik niet meer. Truus die avond ook niet.
Maar de volgende dag heeft ze haar geurvlag geplant. Op de sla. Vlakbij het holletje van de muis. Dat we allemaal even goed weten wiens domein dit is.
PS
Ja, in de beste straten komen burenruzies voor. Gelukkig duren ze bij mij en Truus niet lang, want terwijl ik dit schrijf ligt ze alweer ronkend aan mijn voeten. Een en al ontspanning is ze, als ze op haar rug liggend, luid spinnend, alle vier haar poten wijduit strekt. Probeer haar dan maar eens niet te aaien.

26 Ik zal ze es een poepje laten ruiken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Spinnenvampier
Ik geef je twee woorden en dan mag jij raden wie er sterft: spin – vlieg. En je antwoord is… rapapaa rapapaa…….vlieg! Ja, goed geantwoord. Zou je denken. Maar de realiteit is anders. Ik moet wel bekennen dat die vlieg een wesp blijkt te zijn. Een wesp zonder geelzwarte strepen en zonder de beroemde taille. Een wesp vermomd als zweefvlieg.

Nou, ik zie dus een ‘vlieg’ over de tuintegels lopen met een grijsbeige, eivormig ding onder zich. En ik denkaan die spin die ik vorig jaar zo gezellig met haar gebroed onder zich door de tuin zag waggelen en verbaas me dat vliegen dat kennelijk ook doen. Maar als ze het ‘ei’ even neerlegt, zie ik dat dat ‘ei’ een hoofd heeft en acht poten. Ik schiet snel wat foto’s en duik de boeken in.
In de ANWB insectengids lees ik dat de ‘vlieg’ een wesp is met de toepasselijke naam grijze spinnendoder. Ze leeft graag op open zandbodems en dat treft want we hebben een stuk tuin verlost van stoeptegels en wat je overhoudt is een soort tuinstrand. Daarin graaft ze dus haar nest en gaat op jacht. Als ze een spin te pakken heeft dan steekt ze die in de buik, tussen de heupen.
Later realiseer ik me dat ik daar getuige van was, al dacht ik op dat moment: wat raar dat die ‘vlieg’ hét probeert te doen met haar ‘ei’.
De giftige injectie verlamt de spin direct. Gelukkig maar voor de spin zou je denken, maar nee dus. Want ondanks het gif kan ze haar poten nog wel bewegen maar komt het niet in haar op om het op een rennen te zetten. Het gif dringt door in haar centrale zenuwstelsel en maakt haar compleet lethargisch. Beetje zoals in nachtmerries en het je maar niet lukt om in beweging te komen. Nou, zo voelt die spin zich dus ook.
Die grijze spinnendoder kan trouwens net zo goed grijze spinnenvampier heten want na de steek slobbert ze het bloed van de spin op. Daarna volgt het gesleep naar haar nest, in dit geval onder ons tuinstrand. De wesp legt een ei op de spin, kruipt weer terug door de gang en sluit hem af met zand. Vervolgens smikkelt de wespenlarve de spin in een week tijd op, weeft zichzelf een cocon, houdt een zomer-herfst-winterslaap en als alles goed gaat, zal ze in het voorjaar ontpoppen. Of ze zich dan thuis zal voelen vraag ik me af want ik heb visioenen van een tuin vol witte en rode klaver, klaprozen, korenbloemen, bessenstruiken en fruit- en notenbomen.

27 Spinnenvampier 127 Spinnenvampier 2

 

Maar ik doe het zo graag
Het wordt weer tropisch warm. Ik sta vroeg op en doe de achterdeur open, leg het kleed op de tuintafel, de kussens op de stoelen. De zon komt vanachter de meidoorn omhoog en strooit schaduwen van dansende blaadjes op het witgeel geblokte tafelkleed.
Truus – blij met haar domeinuitbreiding sinds onze komst, de vorige bewoners hadden een hond – schiet naar binnen. Eerst inspecteert ze de keukenvloer, je weet tenslotte nooit of er nog iets ligt. Dan scherpt ze haar nagels aan het mooie donkerblauwe vloerkleed, onder luid protest van mij. Dan een tweede poging om haar nagels te scherpen aan het witte kleed. Weer protesteer ik zij het iets milder. Vervolgens gaat ze liggen op haar rug en doet wat strekoefeningen. Uiteindelijk valt ze in slaap op haar troon, mijn favoriete stoel. Ik maak, tussen het corrigeren en aaien van Truus door, wat havermoutpap en wil in de tuin ontbijten. Met haar krabsessies van net nog vers in het geheugen besluit ik haar wakker te maken.
Op mijn enthousiast ‘Ga je lekker mee naar buiten?’ loopt ze verwachtingsvol mee. Een ding zie ik over het hoofd want zodra ik aan de tuintafel schuif landt de tortelduif, ook verwachtingsvol, op de stoel naast mij. ‘Waar blijft mijn ontbijt?’ kijkt hij me aan. Het musje op de schutting geeft me eenzelfde blik. Truus doet alsof ze dit alles niet ziet en nestelt zich aan mijn voeten. Heel even leef ik in de gelukzalige veronderstelling, dat het heus wel mogelijk is om met zijn allen gezellig samen buiten te zijn. Maar dan laat Truus een paar hele zachte jammerende miauwtjes horen: ‘Ik mag eigenlijk geen vogels pakken, maar ik doe het zo graag’. Ze kan zich inderdaad niet beheersen en springt naar de duif. Ik schiet op van mijn stoel en schreeuw: ‘Truus!’
De duif koerst nu recht op mijn hoofd en na gezwaai van armen en gefladder van vleugels landt hij in de appelboom. Hij kijkt op me neer en lijkt te zeggen: ‘Wat flik jij me nou?!’
Truus loopt op een drafje naar haar eigen tuin en voor ze door de heg glipt, kijkt ze me strak aan: ‘Jij spelbreker’.
De blaadjes zijn van tafel gedanst, de zon klimt onverbiddelijk. Het is alweer heet.

28 Maar ik doe het zo graag